Inleiding
J.J.A. Goeverneur (1809-1889) heeft gedurende zijn leven veel kinderboeken en kinderversjes geschreven. Wie kent niet het liedje van de twee haasjes in een groen knollenland en het liedje ‘toen onze mop een mopsje was’. Hij was erg productief en veel boeken zijn door hem bewerkt en vertaald. Inmiddels is zijn naam in de vergetelheid geraakt. Jan Goeverneur heeft nagenoeg zijn hele leven in de stad Groningen doorgebracht.

Het leven van J.J.A. Goeverneur
Johan Jacobus Antonie Goeverneur is geboren in 1809 in Hoevelaken, waar zijn vader predikant was. In 1816 verhuisde het gezin naar de stad Groningen. Hier ging Jan Goeverneur in 1825 theologie studeren. Enige jaren later werd hij een van de redacteuren van de Groningse studentenalmanak, waarin hij onder het pseudoniem Jan de Rijmer meerdere gedichten publiceerde.
Na zijn studie nam hij in 1830 vrijwillig dienst bij de infanterie en werd hij in het kader van de Tiendaagse Veldtocht tijdens de Belgische opstand betrokken bij de gevechten bij Hasselt en Boutersen. Hiervoor kreeg hij later een onderscheiding: het Metalen Kruis 1830-1831.

Na deze periode ging hij in Leiden letteren studeren. Aan deze tijd dacht hij later met weinig plezier terug. Het was armoede troef in zijn studententijd en hij werd regelmatig gedwongen zich in de schulden te steken. Na het afronden van zijn studie keerde Goeverneur weer terug naar Groningen, waar hij zijn verdere leven heeft doorgebracht. Hij richtte in 1843 het tijdschrift De Huisvriend op. Dit werd gelezen door het hele gezin en was zeer populair. Onder het pseudoniem Oom Jan publiceerde hij veel kinderversjes.
Jan Goeverneur verdiende als schrijver zijn brood, maar dit leverde weinig op. Hij deed ook veel vertaalwerk, maar ook dit werd slecht betaald. Schrijven voor kinderen had zijn voorkeur. Zijn teksten waren nog wel wat moraliserend, maar op een leuke manier. Hij was niet zo prekerig als Hieronymus van Alphen.
“Hij maakte de boeken op een smakelijke manier voor kinderen toegankelijk”, schrijft Toos Zuurveen in ‘Van Zedenleer tot Bruintje Beer’. Veel van zijn liedjes zijn tijdloos en dat is een verdienste voor een auteur die al ruim een eeuw geleden stierf, aldus Zuurveen. Ze merkt op dat hij op de juiste wijze wist in te spelen op het veranderde kindbeeld. Daarmee bedoelt ze dat de jonge lezer steeds meer als een kind werd gezien, en niet als een kleine volwassene. Het spelen ging in toenemende mate de boventoon voeren.
De dichter woonde op kamers en hij leidde een teruggetrokken bestaan. Hij bleef zijn hele leven ongehuwd en woonde geruime tijd in de kost bij een weduwe met negen kinderen. Zij noemden hem Oom Jan en die naam gebruikte hij vaak ter ondertekening van kindergedichten. Op het laatst, hij was inmiddels oud en ziek, werd er zelfs een inzamelingsactie voor hem gehouden, waarbij ook Pieter Jelles Troelstra betrokken was. Jan Goeverneur stierf op 80-jarige leeftijd.
De avonturen van mijnheer Prikkebeen
Een van zijn bekendste werken is: ‘Reizen en avonturen van Mijnheer Prikkebeen: eene wonderbaarlijke en kluchtige historie’ (1858), met tekeningen van de Zwitserse tekenaar Rodolphe Töpffer. Dit boek wordt beschouwd als het eerste Nederlandse stripverhaal. De figuur Prikkebeen werd door Töpffer ‘Monsieur Cryptogame’ genoemd (1845). De Zwitserse versie werd in het Duits bewerkt door Julius Kell die sprak van ‘Herr Steckelbein’. Goeverneur maakte het boek voor de jeugd geschikt op een geheel eigen wijze. Wel maakte hij gebruik van de tekeningen van Töpffer. Het werd een groot succes en zowel jong als oud las het boek.

Het verhaal gaat over de magere mijnheer Prikkebeen, die als vlindervanger hilarische avonturen beleeft samen met zijn zuster Ursula. Als Prikkebeen schipbreuk lijdt en door een walvis wordt opgeslokt, ontmoet hij Pieternel, met wie hij in de walvis trouwt. Zij wordt uitgespuugd, maar Prikkebeen komt pas aan land als de walvis wordt gevangen. Na veel omzwervingen met Ursula vindt hij Pieternel terug. Zij blijkt weduwe te zijn met acht kinderen, maar dat staat hem niet in de weg om samen met haar nog lang en gelukkig te leven.
Prikkebeen leeft ook nog voort in Nederlandse liedjes, zoals het lied van Rob de Nijs: ‘Dag vader en dag moeder, dag zuster Ursula. Ik zie het hier niet zitten, ik ga naar Amerika’. Dit is een verwijzing naar de afscheidsbrief aan Ursula.
Boudewijn de Groot zong een duet met Elly Nieman over meester Prikkebeen: ‘Hij staat in de sneeuw aan de poort van de stad en prikt de dagen van december op zijn hoed’. Dit is een verwijzing naar mijnheer Prikkebeen, die gevangen kapellen (vlinders) op zijn hoed prikt.
Vertalingen
Goeverneur vertaalde in een voor zijn tijd nieuwe en losse stijl heel veel boeken, waaronder het boek ‘1812’ van Rellstab. Hierin wordt de invasie van Napoleon in Rusland beschreven en de rampzalige terugtocht uit Moskou.
Hieronder een greep uit de vele klassiekers die hij heeft vertaald:
- Don Quichot van La Mancha van Cervantes (1871)
- Het leven en lotgevallen van Robinson Crusoe van Defoe (1871)
- Lustige streken en avonturen van Tijl Uilenspiegel (1872)
- Merkwaardige reizen en avonturen van Baron van Münchhausen (1874)
- St. Gullivers reizen naar Lilliput en andere vreemde landen van J. Swift (1872)
- De hut van Oom Tom van Harriet Beecher Stowe (1882)
Goeverneur schreef ook veel kindergedichten, waarvan er later een aantal op papier zijn gezet, zoals: ‘in een groen, groen, groen knollen- knollenland’, ‘roodborstje tikt tegen ’t raam’ en ‘toen onze mop een mopje was’.
Het lied ‘toen onze mop een mopje was’ is door hem in 1865 geschreven en is in 1866 op muziek gezet door Jan Worp.
Toen onze mop een mopje was
Was ´t aardig om te zien
Nu bromt hij alle dagen
En bijt nog bovendien
Waf woef waf woef
Waf woef waf woef
En bijt nog bovendien!
Nu bromt hij alle dagen
En bijt nog bovendien!
Je bent een recht bedorven dier
Eerst at je wat ik bood
Nu wil je lekk´re beetjes
En lust niet eens meer brood
Waf woef waf woef
Waf woef waf woef
En lust niet eens meer brood!
Nu wil je lekk´re beetjes
En lust niet eens meer brood!
De mop zei hierop tot de knaap
Hoe dwaas praat gij daar toch!
Had gij mij niet bedorven
´k Was een lief mopje nog.
Waf woef waf woef
Waf woef waf woef
´k Was een lief mopje nog!
Had gij mij niet bedorven
´k Was een lief mopje nog!
Zijn gedichten sloegen vooral aan, omdat hij brak met de in die tijd gangbare stijve schrijfvorm. Bovendien wist hij de belerende boodschap op een speelse manier in zijn gedichten te verwerken.
Willem Wilmink beschreef het werk van Goeverneur zo: ‘Zijn kinderpoëzie is puur amusement, ook daar waar hij hardnekkige pogingen doet een moraal te verkondigen. Hij was de enige kinderdichter van de negentiende eeuw die werkelijk kinderen voor de geest had. Hij had niets opvoedends over zich.’
Goeverneur werd bijzonder geraakt door de versjes en fabels die waren geschreven door de Duitse liedschrijver en fabeldichter Wilhelm Hey. Hij heeft veel van de boekjes van deze schrijver vertaald. De fabels waren minder moraliserend en vriendelijker van toon. De vertaling van deze fabeltjes resulteerden in de volgende boekjes.
- Fabels en gedichtjes voor kinderen (1835)
- Gedichten en Rijmen (1836)
- Vertelseltjes bij Moeders schoot (1838)
- Nieuwe fabelen en versjes (1849)

Hieronder een door Goeverneur vertaald versje:
Marianne en hare pop
Mijn klein, ondeugd popje,
Wat doe je me een verdriet!
Je volgt maar je eigen kopje
En luistert naar mij niet
Ik zeg je honderd keeren:
Pop, zit toch niet zo krom!
Maar ’t schijnt, je wilt niet leeren
Of bent verbazend dom.
Ik zeg je ook alle dagen:
Wees netjes op je goed;
Bedenk, hoe lang je ’t dragen
En er mee mooi zijn moret.
Maar ’s avonds bij ’t ontkleeden,
Dan schrik ik ieder keer,
Zoo zit je boel vergleden
En ben je slordig weer.
Kom, ‘k ga je in ’t wiegje leggen,
Maar geef me toch eerst een zoen:
‘k Hoop dat je, ook zonder zeggen,
Nu meer je best zal doen.
‘k wil, pop, je graag bekennen,
Ik ook doe dikwijls fout;
Maar ‘k wil me ook zien te wennen,
Dat ik mij beter houd.
Uit: nieuwe fabelen en versjes voor kinderen, uit 1849
Een ander gedichtje dat tegelijkertijd een fabel is:
De kat en de zwaluw
Kat
Hé Zwaluwbuur! Wat zie ik daar?
Dat is niet mooi, dat vind ik raar;
Gij strijkt maar zoo mijn deur voorbij,
En kijkt niet even in bij mij?
Kom binnen, lief! Kom binnen schat!
En rust een beetje, en praat eens wat;
Mijn man is uit, ‘k weet niet waarheen,
En ik heb ’t huis voor mij alleen.
Zwaluw
Neen, buurvrouw Poes, dat kan ik niet;
Ik heb veel haast, zoals gij ziet,
Want ook mijn vrouwtje zit alleen
En wacht op mij; ‘k moet schielijk heen
Gelukkig voor de zwaluw was ‘t,
Dat zij naar ’t loos gevlei der kat;
Die daar op haar te loeren zat
En lang op haar al had gevlast,
Niet dom en dwaas geluisterd had;
Want, lieve kindren, die dit leest,
Had haar de valsche vriendlijkheid
Der slimme buurvrouw eens misleid,
Wat zou haar lot wel zijn geweest?
Geen mensch had meer van haar gehoord:
De kat haar haar gewis vermoord.
Uit: nieuwe fabelen en versjes voor kinderen, uit 1849
Deze vertellingen en versjes, werden net als die van Hey in Duitsland, een groot succes. Ook andere gedichten van Goeverneur werden erg populair en hiermee heeft hij zijn naam als kinderdichter in die tijd gevestigd.

Goeverneur heeft ook heel veel sprookjes bewerkt, zoals die van Perrault, Grimm en Andersen.
Het boek ‘Oude sprookjes’ uit 1861 bevat het sprookje met de titel ‘De beide bloemen’.
Het verhaal gaat over een jonge arme jager die op pad gaat om een stuk wild te schieten. Plotseling rent hem een ree voorbij welke wordt nagezeten door een hongerige wolf. De jager velt de wolf met zijn pijl. Nu wil hij de ree doden en hij legt een nieuwe pijl aan op zijn boog. Maar voor hij kan schieten komt de ree op hem afgelopen en valt uitgeput voor zijn voeten neer. Vertederd wil de jager haar de kop strelen maar de ree verandert dan plotseling in een fee. Ze vertelt dat ze was betoverd in een ree en alleen gered kon worden door een jager die zijn jachtlust zou overwinnen en medelijden met de ree zou krijgen. Uit dankbaarheid geeft ze hem twee bloemen: de ene zal rijkdom brengen en de ander zou helpen tegen lichaams- en zielenpijn. De jager gaat keert huiswaarts en plant de beide bloemen. Deze komen al snel tot bloei maar de eerste bloem wordt prachtig en laat dauwdruppels vallen die vervolgens veranderen in edelstenen. De jager gaat met deze stenen naar de juwelier en krijgt hiervoor veel geld. Hij koopt een prachtig slot en stelt veel bedienden aan. De andere bloem gooit hij achteloos in de tuin waar de plant tot volle groei komt. De rijkdom maakt de jager tot een trots en heerszuchtig mens. Hij kijkt neer op de mensen in zijn omgeving.
Aan de rijkdom komt echter een einde als zijn slot door blikseminslag wordt vernietigd. Ook de bloem die met de rijkdom heeft gebracht is bij de brand verloren gegaan. De mensen hebben geen medelijden met hem en jouwen hem uit en drijven de spot met hem. Hij wordt diep ongelukkig en brengt zijn dagen in armoe door. Honger drijft hem naar zijn tuin waar hij tot zijn verbazing de tweede wonderplant ziet die overal wortel heeft geschoten. Het blijkt dat deze plant eetbaar is en na zijn honger gestild te hebben, valt hij in een diepe slaap. Verkwikt wordt hij wakker en hij krijgt nieuwe moed en kracht. De tweede plant had van hem een beter mens gemaakt en hij wordt nu een weldoener van arme en zieke mensen.
In een ver land woont een koning met een zwaar zieke dochter. Radeloos belooft de koning dat diegene die zijn dochter beter kan maken, met haar mag trouwen. De jager begeeft zich naar het paleis en maakt de prinses beter. De jager wil zich uit bescheidenheid terugtrekken en weigert in eerste instantie de prinses te huwen. Hij vertelt de koning van zijn verleden maar die kan de eerlijkheid van de jager juist heel erg waarderen en geeft hem zijn dochter tot vrouw. Na de dood van de koning erft hij al het land waar hij nog lang rechtvaardig en wijs zal regeren.
Eigen werk
Naast de vele vertalingen en bewerkingen bevat het oeuvre van Goeverneur ook een aantal eigen werken.
- Jongenspret (1851). Dit boek bestaat uit een aantal vertellingen en schetsjes in proza, aangevuld net enkele gedichten. Hij gebruikte daarbij zijn eigen jeugd als inspiratiebron.
- Meisjesvreugde (1851). Was het boek ‘Jongenspret’ deels gebaseerd op z’n eigen jeugd, dit boek vond hij wat lastiger. Het is tot stand gekomen doordat de uitgever hem enkele prenten deed toekomen waarop huishoudelijke bezigheden waren weergegeven. Als verstokte vrijgezel was dit onderwerp hem niet op het lijf geschreven.
- Rijm en onrijm voor kinderen (1869).
- Chineesche schimmen (1876). De titel verwijst naar het destijds populaire schimmenspel (een vorm van schaduwtheater met kartonnen figuren achter een verlicht doek). Het boek bevat een verzameling korte verhalen, bakerrijmpjes, sprookjes en anekdotes.
- Versjes en plaatjes voor jonge maatjes.
- De Tooverlantaarn, vertellingen en sprookjes en versjes. Het boek bevat onder meer de vertelling ‘Het poppenspel’ en gaat over Hein, een jongen van acht jaar. Hij kreeg Van Sint Niklaas een poppenkast, met uiteraard diverse poppen maar ook met teksten van kleine toneelspelen. Hein is tot ongeduld van zijn broertjes en zusjes, die graag een voorstelling willen zien, wel erg lang bezig met het oefenen van het poppenspel. Maar het lukt hem steeds beter en uiteindelijk vindt de première plaats.
Prentenboeken
Goeverneur heeft ook diverse prentenboeken op zijn naam staan, zoals ‘Zestig Tafereeltjes, verteld aan het jonge volkje’ en ‘Ondeugende kinderen’. Dit laatste boek is later herdrukt in drie deeltjes als ‘Kaatje Morsebel’, ‘De-snoep-al’ en ‘Het luistervinkje’ en zijn parodieën op Heinrich Hoffmann’s ‘Struwelpeter’. Later distantieert hij zich echter van de Struwelpeter-achtige prentenboeken omdat kinderen zouden dromen van ‘zulke akelige voorstellingen’.
Hieronder een voorbeeld van een dergelijk versje:
Hans kijk-in-de-pot
Zag Hans eens hier of daar wat staan,
Dan moest hij daadlijk snufflen gaan
En weten, hoe het smaakte en rook,
En of hij ’t wel zou lusten ook.
Eens sloop hij in de keuken rond,
Of hij er ook zijn gading vond.
Daar stond een pot met vliergelei….
Hans aanstonds met zijn neus er hij.
Dóch toen hij neêrbukte op den rand,
Gleed hij uit langs den gladden kant,
En, plomp! ploft Hans hals over kop
Vóórover in het paarsche sop.
Men ziet zijn beenen nog alleen,
Daar Hans zelf in den pot verdween;
Hans had graag van de vlier gehapt,
Nu is Hans door de vlier betrapt.
De keukenmeid schreeuwt bang te moê,
Zijne ouders schieten haastig toe
En trekken hem bij ’t been er uit:
Doch wee, ziet nu eens d’ armen guit!
Ziet, paarsch is buisje, hemd en kraag,
Paarsch is haas Hans tot aan zijn maag!
Au, au!
Paarsch, blaauw,
Die kleur gaat nooit van Hans weêr af,
Hij moet paarsch blijven tot zijn straf
En heet, door iedereen bespot,
Voortaan slechts Hans Kijk-in-de-Pot.
Uit: Ondeugende kinderen
Goeverneur in het KinderBoekenHuis
Het kinderboekenhuis bezit diverse boeken van J.A.A. Goeverneur:
- Een reisje naar ’t Neuzenland, rijmen voor de jeugd. Het boekje bevat absurde humor:‘ Wat men er ziet, wel neuzen, niet? Grote en kleine, Grove en fijne, Lange en korte, van alle soort; ‘.Dit gaat nog even door en vervolgens‘En wie er woont? Wel, heren en dames met neuzen, mijnheer; Koningen, prinsen en graven, nog meer; Ieder draagt daar zijn neus in de hand, Want de neus is de man in het neuzenland!
- Nieuw Fabelboek, nieuwe fabelen en versjes voor kinderen (1849).
- Wat oom Jan nog in zijn zak vond. J.J.A. Goeverneur’s Nieuw fabelboek.
- J.J.A. Goeverneurs nieuw fabelboek.
- Goeverneur’s Fabelboek, het laatste boekje (1838).
- Goeverneur’s vertelseltjes bij moeder schoot, Fabelboek (1838).
- Ondeugende kinderen, een vermakelijk Prenteboek met rijmen van J.J.A. Goeverneur.
- Lustige streken en Avonturen van Tijl Uilenspiegel , aan de jeugd vertaald door J.J.A. Goeverneur (1872)
- Meisjesvreugde.
- Uit het kinderleven, kinderpoëzie.
- Karel en Marie, een familiegeschiedenis voor kinderen. Het boek beschrijft de belevenissen van een broer en een zus. Marie is duidelijk de braafste van de twee. Karel zou daar een voorbeeld aan kunnen nemen. Het verhaal eindigt droevig. Marie wordt ziek en komt te overlijden.
- Lotje en haar kinderen.
- Reinoud en Lina.
- De winter, leesboekje voor jonge kinderen.
- Grimm’s sprookjes, naverteld door J.J.A. Goeverneur.
- De zingende kinderwereld, kinderliedjes voor een of twee stemmen met tekst van J.J.A. Goeverneur.
- Duizendschoon. Een bundel met kinder- en volkssprookjes, naverteld door Goeverneur. Hij stak de verhalen in een nieuw jasje
- Ditjes en Datjes. Een kinderprentenboek voor de allerkleinsten (1877).
- Daar was ereis (1871). Het boek is een verzameling van sprookjes en vertelsels voor kinderen, verzameld en bewerkt door Goeverneur.

- Het Blokhuis op den wal en andere reis- en jachtavonturen naar den vreemde. Dit is een avonturenboek uit 1872 dat door Goeverneur werd vertaald.
- Bloempjes aan den Weg. Het boek bevat gekleurde platen die de verhalen en rijmpjes voor kinderen visueel ondersteunen.
- Don Quichot van La Mancha.
- De avonturen van mijnheer Prikkebeen.

Ten slotte
Op de hoek van de Jan Goeverneurstraat en de Meeuwerderweg in de Groningse Oosterpoortwijk hangt het straatgedicht ‘De oude vrijer’ van de dichter Jan Goeverneur. Hij heeft immers een groot deel van zijn leven in de stad Groningen doorgebracht.
De oude vrijer
Op de eenzame heide
Een slingerend riet;
Een boom zonder vruchten,
Dien niemand aanziet.
Zoo sta ik in ’t leven,
Na ‘w wijken der jeugd,
Verlaten, verstoken
Van blijheid en vreugd.
En als ik naar huis kom,
Daar wacht mij geen groet;
Ik vind mijne kamer
Leeg als mijn gemoed.
En trek ik de stad uit,
Geen mensch klaagt daarom,
Den hoogstens mijn hospes….
Ik vat wel waarom.
Uit het gedicht blijkt het eenzaam bestaan van deze dichter en schrijver die in zijn leven zo productief was. Hij overleed op 18 maart 1889 en werd begraven op de Zuiderbegraafplaats te Groningen.
Bronnen
DBNL: Lexicon van de jeugdliteratuur, Jan van Collie, Wilma van der Pennen, Jos Staal, Herman Tromp; J.J.A. Goeverneur door Bea Ros.
Lust en Leering, P.J. Buijnsters en Leontien Buijnsters-Smets.